Wat is er gebeurd?
Bijna de helft van de Nederlandse agenten vindt dat de oververtegenwoordiging van “bepaalde groepen in de misdaadstatieken” een rol mag spelen in de afweging om iemand te controleren. Dat blijkt uit onderzoek van de Politieacademie onder een representatieve groep politieagenten.
De politie onderzoekt in het kader van het meerjarige programma Politie voor Iedereen (PVI) wat de effecten zijn van maatregelen die eerlijk en professioneel controleren moeten bevorderen. Een belangrijk onderdeel daarvan is het ‘Handelingskader Professioneel Controleren’, dat agenten moet helpen om bewuster en zorgvuldiger te handelen tijdens controles. Dit handelingskader is de kern van het beleid van de politie tegen etnisch profileren. De afgelopen drie jaar onderzocht de politie of agenten het beleid kennen en wat het betekent voor hun werk in de praktijk.
Opvallende resultaten
In 2025 werd het onderzoek voor de derde keer uitgevoerd. De politie stelde vijf kennisvragen aan de respondenten: slechts 10% van de agenten beantwoordde alle vragen goed. Dat kan mogelijk verklaard worden doordat meer dan de helft (52%) niet bekend is met het beleid tegen etnisch profileren. De politie zegt zelf hierover: “Deze uitkomsten wijzen erop dat er nog een lange weg te gaan is en dat de professionalisering van de controles nog niet is afgerond, en nog steeds aandacht en inspanningen vereist.”
Uit het onderzoek blijkt verder dat de maatschappelijke kritiek op politiecontroles nauwelijks invloed heeft op het handelen van agenten: ruim 75% zegt hierdoor niet anders te werken. Slechts een kleine groep (7%) controleert minder uit angst om voor racist te worden gezien, terwijl 18% aangeeft hun manier van controleren te hebben aangepast. Critici verwijten Controle Alt Delete regelmatig dat onze kritiek op etnisch profileren leidt tot handelingsverlegenheid bij agenten. Uit deze cijfers blijkt echter het tegendeel: de overgrote meerderheid van de politie laat haar gedrag niet beïnvloeden door maatschappelijke kritiek.
Wat betekent dit?
In 2017 heeft de politie, in samenwerking met Controle Alt Delete en Amnesty Nederland, officieel beleid gemaakt om etnisch profileren tegen te gaan. In dat beleid staat expliciet dat oververtegenwoordiging van bepaalde groepen in misdaadstatieken geen reden mag zijn om iemand te controleren. Met andere woorden: een agent mag iemand niet controleren op basis van afkomst, huidskleur of (vermeende) etnische achtergrond - ook niet als cijfers laten zien dat een bepaalde groep vaker voorkomt in de statistieken.
Uit het nieuwe onderzoek blijkt echter dat acht jaar later nog steeds bijna de helft van de agenten vindt dat dit wél een rol mag spelen bij hun beslissing om iemand te controleren.
Reactie Controle Alt Delete
Het beleid van de politie is op papier in lijn met de mensenrechten, maar in de praktijk is daar weinig van te merken. Nu weten we waarom: het beleid zit niet tussen de oren van agenten. Sterker nog, bijna de helft van agenten zegt zelf dat zij de oververtegenwoordiging in de misdaadstatistieken mogen meewegen bij politiecontroles. Dat betekent dat een grote groep agenten zich mogelijk schuldig maakt aan etnisch profileren.
Dionne Abdoelhafiezkhan: "Dat bijna de helft van de agenten een opvatting heeft die haaks staat op het beleid van de politie tegen etnisch profileren, wijst op een structureel probleem. Dat is geen kwestie van ‘onbewuste vooroordelen’, maar van diepgewortelde institutionele patronen die al jaren bekend zijn en onvoldoende worden aangepakt. Zolang de politie dit niet erkent als een systemisch probleem, blijven mensen met een migratieachtergrond onevenredig vaak doelwit van onterechte controles. Zolang er geen concrete consequenties staan op etnisch profileren — geen correctie, geen toetsing, geen monitoring, geen verantwoordelijkheid — zal er ook niets wezenlijks veranderen. Beleidsregels zonder handhaving zijn lege beloften. Het beleid tegen etnisch profileren faalt."