De regels voor politiegeweld bij demonstraties

De politie maakt regelmatig gebruik van de wapenstok bij het ontbinden van demonstraties. Mag dat? Om deze vraag te beantwoorden nemen we het geweldsgebruik in Utrecht, tijdens een protest op 19 mei 2025, als voorbeeld waarbij studenten zich (opnieuw) uitspraken tegen de genocide in Gaza. Eerst kijken we naar de algemene regels voor de inzet van de wapenstok, daarna passen we dat toe op het geweld in Utrecht.

Wat zijn de algemene regels voor de wapenstok?

Als de politie je vordert om iets (niet) te doen dan moet je daar gehoor aan geven. Een vordering is een eis van de politie. Als je niet meewerkt kan de politie je dwingen en uiteindelijk mag de politie dan ook geweld gebruiken. Niet meewerken kan ook leiden tot een aanhouding. De politie mag de wapenstok gebruiken als je niet luistert naar een vordering, zie artikel 12e onder c Ambtsinstructie. De inzet van de wapenstok moet volgens de Nederlandse wet proportioneel en noodzakelijk zijn, zie artikel 7 Politiewet. Aandachtspunten voor de concrete beoordeling hiervan zijn te vinden op pagina 62 van een gezaghebbend rapport van de Ombudsman over politiegeweld. Dit rapport is weliswaar niet bindend, maar wanneer rechters politiegeweld beoordelen is dit rapport wel een belangrijke leidraad. Bij de inzet van de wapenstok moet de politie slaan op armen en benen en kwetsbare lichaamsdelen vermijden (hoofd, gezicht, kruis). Slaan op het hoofd is dus niet geoorloofd. Een extra (onnodige) klap geven mag niet. De wapenstok gebruiken om een nekklem aan te leggen mag ook niet!

Behalve deze Nederlandse criteria moet politiegeweld ook voldoen aan de normen van internationale mensenrechtenverdragen. De belangrijkste daarvan is het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dit verdrag heeft directe werking in de Nederlandse rechtsorde. Politiegeweld moet volgens rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) strikt noodzakelijk zijn, zie ons artikel in het NJB. De hoofdregel is dat het gebruik van politiegeweld alleen is toegestaan wanneer dat strikt noodzakelijk is vanwege het gedrag van die persoon. De cruciale vraag voor de beoordeling van politiegeweld is de volgende: was geweld รผberhaupt nodig om het doel te bereiken, of kon dat ook zonder of met minder geweld?

Wat gebeurde er in Utrecht?

Uit protest tegen de genocide in Gaza bezette een groep demonstranten de Universiteit van Utrecht. Direct voor de deur van de universiteit stond een groep van ongeveer 20 vreedzame demonstranten.

Om dit politiegeweld te beoordelen stellen we twee vragen: wat was het doel van het politieoptreden? En kon de politie het doel ook zonder geweld bereiken?

Vraag 1: doel?

Naar eigen zeggen wilde de politie toegang krijgen tot het gebouw en een veilige werkruimte maken en werd deze groep demonstranten daarom verdreven van de deur. Het doel van dit politieoptreden was dus om de groep vreedzame demonstranten voor de ingang weg te krijgen.

Vraag 2: geweld noodzakelijk?

Slaan met de wapenstok zou rechtmatig kunnen zijn als de politie het doel niet op een andere manier kon bereiken dan met geweld. De vraag is dus eigenlijk: kon de politie het doel ook op een andere manier bereiken? Het ging om een kleine groep vreedzame demonstranten (ongeveer 20 mensen). Met voldoende politiemensen is het goed mogelijk om deze kleine groep demonstranten weg te drijven zonder geweld te gebruiken. In plaats daarvan koos de politie er voor om met relatief weinig agenten (10 agenten) op de groep af te komen. Een nog kleiner deel daarvan (4 agenten) kreeg de opdracht om de wapenstokken te gebruiken.

Conclusie

De politie had haar doel ook kunnen bereiken door met een grotere groep agenten de circa twintig vreedzame demonstranten te verwijderen. Deze minder ingrijpende optie is echter niet ingezet. Omdat het doel op een alternatieve manier bereikt had kunnen worden, was het gebruik van de wapenstok niet strikt noodzakelijk. Daarmee is er sprake van disproportioneel politiegeweld.